Het bos eet de autoweg op.

Gebouwen en gebieden in transitie, waar objecten verdwijnen en vervallen, worden vanuit technisch en economisch perspectief vaak beschouwd als nutteloos en zelfs lelijk. De betekenis van de plek wordt vooral gelegd in het verleden (erfgoed) of toekomst (architectuur). In de tussentijd staat het verlaten gebouw als fysieke aanwezigheid in het landschap, die herinneringen draagt, jarenlang in een wachtstand. Omwonenden en beleidsmakers kunnen er niets mee. Het gebouw hoeft echter helemaal niet stil te staan. Wat als we weer vanuit verwondering kijken naar het gebouw? Wat als we aan die tussenfase een eigen betekenis zouden kunnen geven?

Als kunstenaar geloof ik juist in de waarde van de onbestemde fase waarin een veranderende ruimte zich in bevindt. In de afwezigheid van controle krijgt ontregeling van de architectuur letterlijk de ruimte om verrassingen te laten ontstaan: het bos eet de autoweg op. Op deze plekken is de realiteit vreemder dan fictie. Meer dan ooit hebben we behoefte aan ruimte voor stilte, verwondering en reflectie. Deze ruimte hoeven we niet te bouwen, maar slechts te ontdekken in gebouwen en gebieden in transitie. Precies dat is de essentie van mijn werk. De basis voor al mijn werk ligt dan ook in mijn onderzoek van gebouwen en gebieden die zich bevinden tussen hun oorspronkelijke functie en een nieuwe, misschien nog onbekende toekomst.

Dat doe ik niet alleen ongevraagd, maar ook in samenwerkingen. Binnen de context van ruimte, tijdelijkheid en transformatie werk ik samen met landschapsarchitecten, overheden, erfgoeddeskundigen en curatoren in artistieke onderzoekstrajecten rondom gebouwen en gebieden in transitie. Deze samenwerken voeden mijn autonome praktijk en zijn voor mij tegelijk een doorlopend onderzoek naar de mogelijkheden van kunst in andere contexten.

Betekenis geven aan ruimtelijke transitie

Door veldonderzoek, archiefonderzoek en artistieke interventies maak ik verborgen verhalen, ruimtelijke poëzie en collectieve herinneringen zichtbaar. Door een locatie steeds opnieuw te verkennen, wordt dat wat verdwijnt, gedocumenteerd.

Mijn publiek bestaat uit lokale gemeenschappen en ruimtelijke professionals die zich van buitenaf met de locatie bezig houden. Niet ik, maar zij geven betekenis aan de ruimtelijke transitie. Daartoe betrek ik mijn publiek in elke stap van mijn onderzoek:

Resonantie - in gesprekken met de lokale gemeenschap over hun verhalen, onderzoek ik collectieve herinneringen aan de plaats.

Verblijven - gedurende een bepaalde periode werk ik rondom of vanuit het gebouw en ontmoet ik de ruimte en de mensen die ermee verbonden zijn.

Verbeelding - door beeldend werk ontstaan nieuwe interpretaties en belevingen van de plaats.

Teruggave - als publicatie, wandeling, tentoonstelling of advies krijgt het onderzoek een zichtbare en beleefbare publieke vorm.

Samenwerkingen

De partners met wie ik samenwerk in artistiek onderzoek op locatie, hebben met elkaar gemeen dat zij formeel of informeel ‘eigenaar’ zijn van een ruimte in transitie. Zij willen de transformatie niet uitsluitend als een vastgoed- of infrastructureel project benaderen en vragen zich af wat de culturele betekenis van hun werk is. Het zijn bijvoorbeeld professionals bezig met de herontwikkeling van een fabriek of er is een dorpsraad van bewoners die uitkijken op een vervallen kassencomplex. Zij vragen mij niet om een al vaststaand verhaal te verkopen. In plaats daarvan zoeken zij bewust naar een autonoom en verrassend perspectief op hun ruimtelijke opgaven.

Sinds de start van mijn praktijk in 2006 heb ik samengewerkt met o.a.: het instituut Amsterdam, Havenbedrijf Rotterdam, Wageningen Universiteit, Stichting Verborgen Landschap, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Provincie Gelderland, Museum Van Bommel Van Dam, Stichting IJsselbiënnale, Cultuur Oost, Dorpsraad Hout-Blerick, Het Oversticht, Werkend Landschap en Twijnstra & Gudde.

Voorbeeldprojecten

Een keertje brainstormen op locatie?